EPB LAW

Ontslagvergoeding stamrechtverzekering valt in huwelijksgoederengemeenschap – Hof Amsterdam

30 augustus 2013
0

“Trouwen is houwen” leert de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam, d.d. 12 februari 2013 (ECLI:NL:GHAMS:2013:2623)  maar weer, ingeval in gemeenschap van goederen wordt gehuwd. Het Hof Amsterdam overwoog in deze uitspraak inzake een geschil over een boedelverdeling dat de aanspraken die door de vrouw tijdens het huwelijk in een stamrechtverzekering waren ondergebracht, niet aan haar verknocht zijn (r.o. 4.15). In de stamrechtverzekering was  een ontslagvergoeding ondergebracht ter hoogte van EUR 69.207. De consequentie van deze uitspraak is dat de ontslagvergoeding van de vrouw in de huwelijksgoederengemeenschap valt.

Deze lijn in de rechtspraak is niet nieuw, maar het arrest geeft wel een nadere invulling. In het arrest van de Hoge Raad van 22 maart 1996 (NJ 1996/40) is overwogen dat een ontslagvergoeding die wordt uitbetaald in een bedrag ineens, niet mag worden uitgezonderd van de hoofdregel dat de gemeenschap van goederen alle tegenwoordige en toekomstige goederen van echtgenoten omvat. Een verdere nuancering van deze regel gaf de Hoge Raad in zijn arrest van 17 oktober 2008 (NJ 2009/41). In dit arrest kwam op grond van een beëindigingsovereenkomst die de werkgever met een werknemer had gesloten aan de werknemer een ontslagvergoeding toe die direct als koopsom in een stamrechtverzekering werd gestort. De werknemer ontving tot de pensioendatum periodieke uitkeringen uit de stamrechtverzekering, die zijn inkomen aanvulden tot 70% van zijn laatstgenoten salaris. De periodieke uitkeringen (‘aanspraken’) die na de ontbinding van het huwelijk plaatsvonden vielen volgens de Hoge Raad niet in de gemeenschap, omdat deze uitkeringen strekten tot vervanging van het door de werknemer te missen inkomen. Had de arbeidsverhouding nog bestaan dan waren deze bedragen ook niet in de gemeenschap gevallen, zo lijkt de gedachte.

Het Hof Amsterdam overweegt nu dat de aanspraken in de stamrechtverzekering in kwestie wél in de gemeenschap vallen. De ontvangen periodieke uitkeringen kunnen volgens het Hof niet worden beschouwd als vervanging van het inkomen dat de vrouw bij voortzetting van de dienstbetrekking zou hebben ontvangen. Het Hof noemt hiervoor als reden dat  het  de vrouw op grond van de stamrechtovereenkomst volledig vrij stond de hoogte van de periodieke uitkeringen zelf te bepalen. Voorts blijkt uit de uitspraak dat de vrouw de periodieke uitkeringen in 2008 niet (direct) nodig had ter vervanging van gedorven inkomen uit de arbeid. De vrouw gaf aan dat zij destijds over voldoende andere inkomsten beschikte. Op grond van de stamrechtovereenkomst  hoefde zij pas uiterlijk op 65-jarige leeftijd te starten met de periodieke uitkeringen. De vrouw heeft derhalve haar appeltje voor de dorst moeten delen met haar man.

Download Gerechtshof Amsterdam, 12 februari 2013