EPB LAW

Nederland maakt leeftijdsdiscriminatie bij actuariële pensioenberekeningen (‘Kristensen/Experian-arrest’ HvJEU)

25 oktober 2013
0

Op 26 september 2013 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie het arrest Kristensen/Experian gewezen
(C-476/111). Voor een uitgebreide behandeling van het arrest verwijs ik naar mijn annotatie in PensioenJurisprudentie (hier downloaden).

Kernvraag

De kernvraag die in dit arrest van het HvJEU ter beantwoording voor ligt is de volgende. Valt de leeftijdsgerelateerde, progressief stijgende werkgeversbijdrage aan een bedrijfspensioenregeling onder één van de uitzonderingen op het verbod van leeftijdsdiscriminatie bij de arbeid van artikel 6 lid 2 van Richtlijn 2000/78/EG (de “Richtlijn”)? Het Hof oordeelt kort gezegd dat het gemaakte onderscheid niet onder deze uitzonderingsgronden valt en derhalve alleen toelaatbaar is indien het onderscheid objectief gerechtvaardigd kan worden, zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 van de Richtlijn.

Het belang van het arrest

Het Kristensen/Experian-arrest van het HvJEU is een belangwekkend arrest voor Nederland en vele andere EU-lidstaten. Het betreft de uitleg van artikel 6  lid 2 van de Richtlijn. In dit artikel is omschreven welke inbreuken op het verbod van leeftijdsdiscriminatie bij de arbeid zijn toegestaan in pensioen- en invaliditeitsregelingen. Het is de eerste keer dat het Hof zich uitlaat over het aantal zelfstandige uitzonderingsgronden in artikel 6 lid 2 en de wijze waarop de genoemde uitzonderingen op het verbod van leeftijdonderscheid in onderlinge samenhang moeten worden gelezen. Van groot belang voor Nederland zijn de overwegingen van het Hof waaruit naar voren komt, dat het toegestane gebruik van leeftijdscriteria in de actuariële berekeningen als bedoeld artikel 6 lid 2 beperkter is dan tot op heden werd aangenomen.

In het algemeen wordt in Nederland aangenomen dat artikel 6 lid 2 van de Richtlijn drie uitzonderingen op het verbod van leeftijdonderscheid toelaat, die ook afzonderlijk als zodanig in de Nederlandse uitvoeringswet, de Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid (“Wgbla”) zijn gecodificeerd. Deze drie uitzonderingen zijn: 1) de toetredingsleeftijd, 2) de pensioenleeftijd (artikel 8 lid 2 Wgbla) en 3) verschillen op grond van actuariële berekeningen (artikel 8 lid 3 Wgbla). De laatste is uitdrukkelijk aangemerkt als een derde, afzonderlijke uitzondering, mede gelet op de plaatsing in een apart lid van artikel 8 Wgbla.

Uit  het arrest van het Hof blijkt dat in artikel 6 lid 2 van de Richtlijn geen sprake is van drie zelfstandige uitzonderingsgronden, maar slechts van twee. Een inbreuk op het beginsel van non-discriminatie op grond van leeftijd bij de arbeid is alleen toegestaan ingeval sprake is van: (i) het vaststellen van leeftijdsgrenzen voor de toetreding tot een pensioenregeling (de “toetredingsleeftijd”); of (ii) het vaststellen van een leeftijd waarop de pensioen- of invaliditeitsuitkeringen starten (de “pensioenleeftijd”), tenzij dit leidt tot onderscheid op grond van geslacht. Onder deze twee uitzonderingsgronden vallen ook de vaststelling van verschillende toetredings- en pensioenleeftijden voor werknemers of voor groepen of categorieën werknemers. Het gebruik van leeftijdsgerelateerde actuariële factoren bij berekeningen in bedrijfspensioen- en invaliditeitsregelingen is volgens het Hof géén zelfstandige uitzonderingsgrond. Dit gebruik valt alleen onder de reikwijdte van de uitzonderingen in artikel 6 lid 2, indien de leeftijdscriteria in actuariële berekeningen worden gebruikt voor of – of in de bewoordingen van het Hof – ‘leiden tot’ de vaststelling van toetredingsleeftijden of pensioenleeftijden (r.o. 53).

Eén van de consequenties van deze uitspraak voor Nederland is, dat artikel 6 lid 2 Richtlijn niet juist is geïmplementeerd in de Nederlandse wetgeving. In plaats van twee pensioenuitzonderingen zijn er in artikel 8 lid 2 en 3 Wgbla drie uitzonderingen opgenomen op het verbod van leeftijdsdiscriminatie. Artikel 8 id 3 Wgbla zal moeten worden geschrapt of aangepast. Het gebruik van leeftijdscriteria bij de actuariële berekeningen zal (alsnog) objectief gerechtvaardigd moeten worden. Dit zal met name bij premieregelingen aan de orde zijn, daar bij de vaststelling van de hoogte van de premie gebruik wordt gemaakt van leeftijdsgerelateerde cohorten. Ontbreekt een objectieve rechtvaardiging, dan is het gemaakt onderscheid nietig.